Paul Groot

Clockwork Dance

Van Dale's woordenboek zegt dat de onrust onder meer een heen en weergaand wieltje in een uurwerk is dat, evenals een slinger in een slingerklok, ten doel heeft de gang van het uurwerk te regelen. Maar dat die onrust ook letterlijk in je lijf kan zitten bewijzen een aantal recente performances.

Vergroot

Nezaket Ekici's performance in the Van Gogh Museum - At the Egon Schiele exhibiton of February 2005. Other participants were Marina Abramovic, Yingmei Duan and Krisztina de Chatel. Nezaket Ekici's performance in the Van Gogh Museum

Metafoor of niet, een heel specifieke, onrustige, tegelijk in zekere zin ook weer rustgevende motoriek, bepaalde het karakter van zowel de dans van Kulvinder Singh in Lars Eijssens Flower piece #1: the effort op de hoogste etage van het Post CS gebouw, als die van Keyna Nara en Nezaket Ekici in Kriztina de Chatel en Marina Abramovic Gradual and Persistent Loss of Control bij de tentoonstelling Egon Schiele in het Van Gogh Museum. In de armen van Kulvinder Singh, in de heupen van Nezaket en aan de voeten van Keyna Nara komt een heel dansant artistiek verlangen tot uiting. Molenwiekende armslagen, het gerikketik van de magnetische schoenen op een ijzeren podium en een almaardoor zich bewegend lichaam zijn de aanjagers van veel moois. Drie verschillend onrustig bewegende lichamen die al hun energie gebruiken om aan hun omgeving een eigen harteslag op te leggen. Bewogen door een innerlijke motoriek die nu eens heel precies voorgeschreven lijkt, dan weer improviserend bezig is. Die soms de acrobatische toeren van het maatstokje van een orkestdirigent naaapt, dan weer de pulserende bewegingen in gedachten roept van een op hol geraakte metronoom die de greep op het muzikale ritmiek even kwijt is. Maar altijd zijn het aangevers van de tijd, functioneren ze als onrust: soms geestig komisch, ook wel ontegenzeggelijk vertederend, maar altijd weer scherp de tijd metend.

I
Sentimenteelste beeld van de onrust was misschien wel de maatvoering van Kulvinder Singh, de uiterst jonge solist bij Lars Eijssen's Flower piece #1: the effort. Een kleine prins met een prachtige zonnediadeem die excelleerde in een oosterse danstechniek en in zijn steeds doorzettende beweging de motor was van het verhaal dat Eijssen hier wilde vertellen. Met een eigen mp3 speler verborgen in zijn tulband leek hij aanvankelijk zijn dans in een eigen ritme uit te voeren, totdat je merkte dat hij juist in zijn a-synchrone bewegen voor de anderen de maat voerde. Als een Radha Krishna was hij aanwezig, en zodra hij op het toneel verscheen, voorzichtig ernaartoe gedragen in de armen van een statige halfnaakte bediende, bracht hij een onvoorziene energie in 't spel. Met zijn prachtige glimmend zijden kleding, van traditionele indiase snit, een stralende metalen zon op het hoofd, veranderde zijn aanwezigheid het toneel tot een echt paradijselijke omgeving. Je zag duidelijk hoe die danswijze, bekend uit de video-clips en de Bollywood films, hem als van nature in het bloed zit. Zijn energie straalde af op de improviserende zangeressen, die een human beatbox improviseerden, en op de in een gebarendans verwikkelde groep dansers. Zijn slingerende armen graaiden naar de hemel, zijn voeten zochten de stevigte van de aarde, en als een echte zonnegod gaf hij het hem omringde tafereel door zijn voortdurende bewegingen oneindige energie. Met zijn vogelachtige wiekeslagen dirigeerde hij het natuurlijke ritme van de overige optredenden.

Wie verder keek, kon in Eijssens werk ook toespelingen terugvinden op de negentiende-eeuwse Europese schilderkunst. Millets romantische doeken, het beeld van de zaaier in het bijzonder, maar daarnaast ook bewerkingen van bloemstillevens in dit helemaal buiten de tijdgeest staande multi-culti meesterwerkje. Maar het was Kulvinder Singh die de oude dansvormen zo modern en fashionble uitvoerde dat je zijn dansen en gebarentaal gemakkelijk genoeg met de improvisaties in een discotheek kon verwarren.

II
Je hebt klokken en klokken, de ene is de andere niet. Zo levendig als Eijssens onrust was, zo precies mechanisch was die van Keyna Nara in Gradual and Persistent Loss of Control, van Krisztina de Chatel en Marina Abramoviç. Onmiddellijk dringt het beeld zich op van een allernauwkeurigst op een atoomklok aangesloten wekker als je haar, mooi op z'n Japans gekleed, met haar loodzware magnetische schoenen ziet ronddraaien. Stukje bij beetje cirkels draaiend over het ijzeren podium. Als het dramatische middelpunt van een groep zich traag bewegende dansers is zij werkelijk een metafoor van de tijd, met die prachtige, nauwafgestelde menselijke motoriek. Ze vormt de kern van een met veel bewegende figuren uitgerust klokkenspel, en weet al ronddraaiend haar omgeving te inspireren. Japanais-plus-que-japanais moet ze in haar bewegen de tijdloosheid van de wereld tonen. Om haar heen de dansers, die in de verdere ruimte uitzwerven en als afsplitsingen van Schiele zelf verder gaan. En daar kijk je van op: wat eerst als een groep discodansers met magneetschoenen geprogrammeerd staat, wordt plotseling een groep lichamelijke dubbelgangers van een door het leven getekende kunstenaar. Met dan als aangever van de tijd die strak draaiende klok die maar blijft draaien en draaien en die zich van de status van Schiele's transformerende gestalten niets aantrekt. Het verontrustende beeld van de langzamerhand hun laatse adem uitblazend dansers gaat langs haar heen, hoe huiveringwekkend ontwerper AZIZ de dansers ook had gekleed. Of liever een huid had aangetrokken die de fragiliteit van Schiele's eigen lichaam had meegekregen. Verfstrepen en -stroken die het lichaam de schaduw- en bloedtonaliteit geven van open wonden. De elkaar zoekende en dan weer uitdagende, gewonde lichamen, die elkaar steeds opnieuw nodig hebben, maar zich uiteindelijk dan maar opsluiten in die transparante gesloten box, die een box van de dood is. Want ook al zijn er telkens tekens van leven in die box, het zijn de schaduwen van de dood. In die absolute beslotenheid is er slechts plaats voor het leven van insecten, van wormen, van doodskop vlinders, van aarsvliegen. Voor het leven dat dood vlees als aas gebruikt.

Maar hoe huiveringwekkend dit alles ook is, ongestoord en van geen wijken willen wetend draait Keyna Nara maar door, op haar zware magnetische schoenen, ronde na ronde na ronde na ronde...

III
Een ensemble in haar eentje, een explosief mengsel van ambitie, doorzettingsvermogen en artistiek verlangen. Nezaket Ekici’s performance vindt plaats op een aan de wand aangebracht hoog podium, ze staat daar in haar eentje, in een veel te volle omgeving met teksten, filmschermen, druk pratende rondleiders, heftig sissende bezoekers, veel toeristen met,o ja, je zou het haast vergeten, ook die tedere schilderijen en tekeningen van Schiele nog. Een artistiek volkomen overcrowded ruimte, die tentoonstellingshal van het Van Gogh. Architectonisch een monstrum waar de tere schilderijen, van wie ze ook zijn, als alibi worden "gebruikt" om een onafzienbare toeristenstroom afleiding te bezorgen. En nu bij de Schiele-expositie nog eens versterkt met elkaar tegensprekende, om aandacht vragende media. Grote filmschermen en digitale monitoren tonen een volkomen uit de hand gelopen gevecht om de hoogste kijkcijfers.

En boven die woelende menigte uit, neerkijkend op een voortdurend doorstromende massa, stond daar een hele week lang, tijdens de openingsuren van het museum, Nezaket Ekici onafgebroken te bewegen. Wat gebeurt er als je dat een volle week onafgebroken met de grootst mogelijke energie doet? Als je Nezaket ziet bewegen dringt zich al snel dat oosterse beeld van een dansende Shiva aan je op. Dat is eigenljk merkwaardig, want haar kazuifelachtige kleding, met schaakbord-patroon en kruisend horizontale en vertikale banen, leek alles toch weer in zekere zin terug naar Schiele te geleiden. (Of verwar ik hier juist Schiele met Klimt, en was de overgooier eerder een attribuut van Klimt?) . Hoe het ook zij, overgooier of toch kazuivel, Nezaket had alles van een Shiva die aan twee armen niet genoeg heeft en zich zo beweegt alsof hij er een veelvoud aan heeft. Bij de uit de musea bekende beelden van hem kun je die armen nog wel uit elkaar houden, soms zijn het er vier, dan weer zes, of twaalf. Maar bij Nezeket kun je haar armen letterlijk niet bijbenen. Het gaat er zo snel toe dat je ogen te kort komt en de tel kwijtraakt, want ze zet zoveel energie in, en verlangzaamt eigenlijk nooit. Daar was dan ook allerminst reden toe, want in die ene week die haar ter beschikking stond in dat door Marina Abramoviç opgezette Independent Performance Group-programma leek ze zich ten doel gesteld te hebben de danskunst opnieuw uit te willen vinden, en dat nog liefst in een historisch verantwoorde opbouw.

Bij mijn bezoek was kennelijk het grote handboek Natya Sastra van Bharata aan de orde. Of anders wel, de Abhinaya Darpana, spiegel der gebaren van Nandikesvara. Of Nezaket daabij meteen de diepste dimensie in dook weet ik niet, doet er ook niet toe, want ze moest hier in een beperkte tijdsduur een hele cultuur aan bewegingen en gebaren opnieuw herontdeken en herinterpreteren. Hoofdschuddend, en herhaald in een bepaalde richting kijkend, de eigen ledematen beschouwend, zo toonde ze van alles wat er in deze boeken te vinden is. Als er 24 van die hoofdbewegingen instonden, dan probeerde Nezeket ze ook allemaal. Hoeveel heb ik er in dat uur gezien? Hoeveel van de 4 nekbewegingen en de 6 wenkbrauwbewegingen zijn me ontgaan? En waren de 24 oogbewegingen werkelijk allemaal op mij gericht, zoals ik plotseling even dacht? In ieder geval heb ik de zeventig handstanden, zoals de pataka, waarbij de duim over de gestrekte vingers gebogen ligt, nog bewust bekeken. Toen verliet ik de zaal, alleen al van het kijken uiterst vermoeid, en liet Nezaket opnieuw aan de toeristen over.

Het was grandioos hoe Nezaket in dat ene uur een vaak tot een conventie verstarde inspiratie als het ware nieuw leven inblies. Om het in de woorden van danshistoricus Curt Sachs wat officieler te zeggen, Nezaket wist haar persoonlijk creatief vermogen te verenigen met de zekerheid van een vastgestelde onpersoonlijke stijl.