Performance:

Vaarwel Amsterdam

Performance at Nostalgia and Chaos

9 Feb 2008

"Vaarwel Amsterdam" (Goodbye Amsterdam) is a poem by Vicente Zito Lema, performed by Lidewij Mahler and Aimee Zito Lema.

Enlarge

Lidewij Mahler and Aimee Zito Lema performing Goodbye Amsterdam - Mediamatic Gastarbeider Dating Aimee Zito Lema

Goodbye Amsterdam

Nostalgia and Chaos, a search for beauty in times of social struggle. An installation that shows different aspects of contemporary Argentinean cultural production. Between February 6-10, multiple performances and workshops were held at Mediamatic as part of the Gastarbeider Dating series.

This evening a song was performed about leaving Amsterdam after living there for 7 years.

The Poem

voor Regine en
mijn kleine Aimée;
voor mijn onvergetelijke
Nederlandse vrienden

Het is november en een verzengende kou bijt
in mijn borst als een bronstige jaguar
langzaam loop ik door de goudgele bladeren
over de Marnixkade
en ik voel dat mijn lichaam / stap voor stap /
de nederige vrede van zijn jaren achterlaat
in de gaten van de schaduw

De straten: steen op dikke lagen zand en de zandlagen
bedekken amper het water / dichtbij heel
dichtbij het gejammer van een vergeten schipbreukeling/ het
klots-klots van golven
zonder slaap en het oude lied dat opstijgt
uit een algenbed
op deze zee waar ooit
het schip voer
ment nu de zeeman
zijn paard

De huizen van baksteen en hout
omhoog gegroeid in de lucht
als een magische slingerplant
rode naakte huizen
staan tegenover regenbuien als gezeefd zilver
die eeuwig gaan
en komen en de hoge dakkapel

om de tranen te verstoppen van de buitenlander
die zijn vaderland kwijt is en met zijn tanden
de vulkaan van wolken die hem smoren openscheurt
terwijl uit de diepte van de nieuwe grond
het oude lied opstijgt
op deze zee waar ooit
het schip voer
ment nu de zeeman
zijn paard

Ik ben verbaasd over je stilte
Ik hul me in je mysterie
Mijn schim trilt in de draden van je brede gracht
gelijk met de gepijnigde takken van de iepen
Vaarwel, Amsterdam, Hasta siempre, stad met
je twee oevers waar van het begin tot het eind
honderd straatorgels overheengaan
Stad van 700 jaar en met je toren van
goud en eenden
met hun kuif van jade en de hemel
als één gazen sluier
waar de diadeem
van de dame van de nacht sneller groeit
dan het onkruid
heel haastig

Laten we goed afscheid van elkaar nemen / liefdevol
waarom niet? / met schemerlicht
van roze lampen / Schuberts
impromptu’s en de accordeons van de Jordaan
die opklinken achter ramen versierd met lichtblauwe buurvrouwen
ze drinken glaasjes zoete wijn
en haken in afwachting
van een fee die
zacht hun ogen sluit

Het is mijn schuld dat we uit elkaar gaan, jazeker, / maar
Vergeet niet dat in mijn hart
Latijnse voorouders dansen
tot melodieuze liefdes in staat
Zelfs wanneer de troebele woestijnwinden waaien
die de wijnstokken verbranden
en de vlucht van de kolibri wijzigen
in het rond
over de bloemen in het rond

Heb je niet gezien, Amsterdam, dat mijn rug
breed is
als de rug van de mannen met hun vreemde taal die
in het ruim van je schepen afdalen?
Ik ga mijn doden dragen die niet begraven zijn
en hebben geen krans van aronskelken
Ze wachten vermoeid reeds
van zo veel bittere maan
ginds in de stad in het zuiden met zijn reusachtige misdaden
waar ik geboren ben
waarheen ik terugkeer
zeven jaar ouder en onwetend
over de oorsprong van de droefheid en niet vergevend
de diefstal van mijn vreugde

Laten we de gevoelens open
op tafel leggen / ergens
in een van je bruine cafés met
zaagsel op de grond en een dikke walm
die beschermt tegen spoken
Je zult zien dat ik geen aaskaart verstopt heb in mijn mouw
Ik sta bekend als gek en ben geregistreerd
als subversief
zoals het dichters
betaamt.
Maar zelfs mijn grootste vijand heeft me er nooit van beschuldigd
voor de problemen te vluchten
of het glas te heffen
wanneer de haat schittert
Zonder domme trots zeg ik je
dat ik in mijn ziel heb gekeken
op het delicate moment
dat leven en dood elkaar de hand geven.

Ik ben nu het moeilijkste aan het leren:
oud worden op een goede manier

Wij hebben het goed met elkaar kunnen vinden, kleine stad
met de vier cirkelende grachten
en de vlooienmarkt
en de diamantenmarkt en het park
van de dichter Vondel
waar de junizon
wordt aanbeden
en hasjvuurtjes oplaaien
Heb je mij niet zien fietsen op zondag
met mijn meisje uit Leiden
en haar glasheldere ogen?

Een minpunt waren enkele malen dronkenschap
in eenzaamheid / Dat je je in duisternis hult
om twee uur ’s middags
is moeilijk te verdragen
Ik ben geboren op een binnenplaats vol zon
midden in de zomer
Ik wil je niet lastigvallen met deze melancholie
die nog bitterder smaakt
wannner je kameraden in het leven
verstommen boven een greppel
die plotseling rood kleurt
worden er geen onschuldige vreugden meer geboren
vraagt iedere stap die je zet toestemming
aan de andere stap
en ruikt het laken waarop je de liefde bedrijft
als een zweetdoek

Jaag dat sombere visioen weg en laat mij
je uitkleden vanavond
mijn jonkvrouw
Nooit heb ik de tango uit mijn oren verdreven
en toch heb ik me aan jou overgegeven
volledig en trouw
Stad van de zachtste regens op aarde
je religieuze kalmte wordt nauwelijks verstoord
door muzikanten en trams die bijeenkomen
op de duizend hoeken van het Leidseplein
terwijl de sneeuw me kust

op deze zee waar ooit
het schip voer
ment nu de zeeman
zijn paard

Amsterdam, zal ik een liefhebbende zoon worden?
of een verloren zoon die naar het andere
eind van de oceaan reist met slechts
een enkele reis
en die water zal blijven gieten
op de mistige tulpen van de herinnering?

Alles wat ik bezat is per boot verzonden
Hier zal spoedig stilte heersen en ik
zall tot het verleden behoren
Ik ga, stad waar ik mijn ballingschap doorbracht
met mijn gezicht in jouw behulpzame schoot

Zul jij afscheid van mij nemen, stad?
Zul jij een traan laten om de dichter
die zich opmaakt voor
zijn laatste strijd?

De enige nederlaag is een naakt hart
En hoewel ik de schepen achter me heb verbrand
Neem ik mijn meisje van de regendruppel mee
En het kindje dat in herfstpraal is geboren
Vaarwel, Amsterdam
Ik laat het gedicht van het vertrek hier evenals de andere
die ik schreef
sinds ik voet aan jouw wal zette
Ik weet dat we een goede verstandhouding hadden
zonder schaduw van woeker
Ik speel kruis of munt met het muntstuk van het leven
zoals ik altijd heb gedaan
terwijl de nacht zijn fluweel uitstrekt
over de kleine stad op de 52ste breedtegraad
in het noorden van de planeet.



Amsterdam, november 1984

vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu