Cobra keramiek

uit de museumcollectie

19 Feb 2011
8 أيار / مايو 2011

Voor het eerst, in het lustrumjaar, toont het Cobra Museum de eigen verzameling Cobra keramiek. In de afgelopen 15 jaar heeft het museum naast schilderijen, tekeningen, grafiek, sculpturen en documentair materiaal ook keramiek verzameld. In een intieme opstelling in het prentenkabinet wordt deze deelcollectie nu getoond. Er zijn zo’n 13 keramische objecten van Karel Appel, Corneille, Constant, Asger Jorn, Anton Rooskens, Pierre Alechinksy en Lucebert. In dezelfde ruimte worden foto’s van Henny Riemens uit 1954 geëxposeerd, die zij maakte in Albisola, tijdens de experimentele ‘keramiekconferentie’.

Enlarge

Karel Appel - Karel Appel in het Nederlandse televisieprogramma Een groot uur "U" in 1974. Afbeelding gevonden op Wikipedia. Gemaakt door de Vara.

In de tentoonstelling is verder een nieuw en bijzonder particulier bruikleen opgenomen, een door Karel Appel beschilderd 9-delig servies uit de jaren vijftig. Het bestaat uit theekopjes, een beker, een schaal, een theepot en een vaas. Ondanks dat het servies veelvuldig is gebruikt verkeert het nog in perfecte staat.

Sinds de oprichting van Cobra in november 1948 zagen de kunstenaars zichzelf als ‘arbeiders’ die werkten vanuit het culturele erfgoed van de mensheid. Alle disciplines, het schilderen, de poëzie, beeldhouwkunst en keramiek, behoorden in principe tot hun werkterrein. Van de Cobra kunstenaars hebben de meesten met keramiek gewerkt: Karel Appel, Pierre Alechinsky, Constant, Corneille, Asger Jorn, Lucebert, Carl-Henning Pedersen, Reinhoud, Anton Rooskens en Serge Vandercam. Vooral het experiment dat met de klei, de vorm en de beschildering mogelijk is trok hen aan.

Anton Rooskens bracht in 1947 een werkbezoek aan de Russel Tegula aardewerk-fabriek bij Venlo. Toen hij zich kort daarna verbond met de ‘Experimentele Groep in Holland’ wees hij zijn vrienden op de mogelijkheid om daar met keramiek te werken. In 1948 stapten Appel, Corneille en Constant in zijn voetsporen. Op de door de fabriek gevormde gebruiksvoorwerpen brachten zij dezelfde fantasiewezens die hun andere werk uit die tijd typeren.

De fantasiefiguren die Karel Appel aanbracht lijken bijna te groot voor het keramische oppervlak, alsof ze ervan willen ontsnappen. Corneille’s figuren bevatten juist meer compositorische elementen, en Constant, de theoreticus van Cobra, laat in de keramiek meer dan ooit zijn naïeve kant zien.

De Deense kunstenaar Asger Jorn wijdde zich pas na de Cobra periode (1948-1951) intensief aan keramiek. Hij deed grensverleggende keramische experimenten, waarbij hij zelfs met een scooter over kleitableau’s reed. In 1953 verliet Jorn Denemarken en reisde hij naar Zwitserland, waar hij de Italiaanse kunstenaar Enrico Baj ontmoette. Baj wees hem op de rijke pottenbakkerstraditie in Albisola, een dorpje in de buurt van Genua. De keramiek-werkplaats ‘San Giorgio’ van Tulio Manozotti was een ontmoetingscentrum voor veel internationale kunstenaars die experimenteerden met aardewerk. Jorn vertrok in 1954 naar Albisola en nodigde ook Karel Appel en Corneille uit. Voor hen betekende de deelname aan wat de ‘Albisola conferentie’ is gaan heten een nieuwe impuls. Fotografe Henny Riemens, in 1954 echtgenote van Corneille, maakte een fotografisch verslag van Corneille’s verblijf in Albisola. Veel van deze foto’s worden geëxposeerd. Ook na Albisola bleven Cobra kunstenaars zich in keramiek verdiepen en kwamen enkele grote keramische (wand-) objecten tot stand.